Fouace angevine (fouée): holle broodjes uit Anjou
In de Saumurois en Anjou is de fouée een klein brood waarvan de identiteit vooral door hitte wordt bepaald. Het deeg is eenvoudig: tarwebloem, water, gist en zout. Dunne schijven gaan op een zeer heet oppervlak, waarna de waterdamp snel uitzet en boven- en onderkant van elkaar duwt. Zo ontstaat de holte die het brood geschikt maakt om open te snijden en te vullen.
Die holle structuur onderscheidt fouée van de zoete, verrijkte fouace uit Rouergue en van de zachte, met oranjebloesem geparfumeerde fougasse uit Aigues-Mortes. Voor thuis zijn daarom vooral een sterk deeg, twee gecontroleerde rusttijden, een dikte van ongeveer 8–10 mm en een volledig voorverwarmde bakplaat of bakstaal belangrijk.
Boter, rillettes, mogettes, champignons en geitenkaas zijn mogelijke regionale vullingen, maar horen niet bij de afgemeten bereiding. De voedingswaarde betreft uitsluitend de twaalf ongevulde broodjes.


