Pâté lorrain met gemarineerd varkensvlees en kalfsvlees
Pâté lorrain wordt hier gekenmerkt door intacte reepjes varkens- en kalfsvlees, niet door een gemalen farce. Het vlees wordt in gelijke repen gesneden en een nacht gemarineerd met droge witte wijn, sjalot, peterselie, tijm en laurier. Daarna moet het zeer grondig uitlekken voordat het in het deeg gaat. Juist die scheiding van vrije vloeistof is nodig om de lange rechthoekige korst van roomboterbladerdeeg krokant te laten bakken.
Rol het bladerdeeg uit tot één lang rechthoekig vel, leg de uitgelekte vulling in het midden en sluit het deeg tot een lang pakket met drie kleine openingen. Er is geen aspic en de vulling is geen gemalen charcuteriefarce. Daarmee verschilt Pâté lorrain duidelijk van pâté en croûte, ook al combineren beide vlees en deeg. Houd de rauwe vulling tijdens het samenstellen koud en gooi de gebruikte marinade weg in plaats van die in het deeg te gieten.
Begin de baktijd op hogere temperatuur om het bladerdeeg goed te laten rijzen en bak daarna verder op 180 °C. De korst moet diep goudbruin worden en de dikste stukken vlees moeten minstens 71 °C bereiken. Laat het gebak daarna slechts 15 minuten rusten: genoeg om het vleessap te laten stabiliseren, maar kort genoeg om de korst krokant te houden voor warme service. Witte wijn draagt aroma bij; ga er niet van uit dat alle alcohol tijdens het bakken volledig verdwijnt.


