Urmašice met walnootkern, geribbeld deeg en citroensiroop
Urmašice en hurmašice komen in verschillende huishoudelijke uitvoeringen voor, maar het geribbelde oppervlak en de met siroop doortrokken kruim zijn veel stabielere kenmerken dan één vaste verhouding van boter, yoghurt of olie. Deze versie gebruikt een deeg met zonnebloemolie en melk, een kleine hoeveelheid griesmeel en één stuk walnoot in het midden van ieder gebakje.
Het deeg moet zacht blijven zonder uit te vloeien. Te veel extra bloem maakt de gebakken buitenkant compact en vertraagt de opname van siroop; te weinig structuur laat de ribbels van de rasp verdwijnen. Door bloem, bakpoeder en griesmeel eerst te mengen en de vloeibare ingrediënten apart samen te brengen, wordt het rijsmiddel gelijkmatig door het deeg verdeeld.
Het vormen is meer dan decoratie. Dertig stukken van vergelijkbare grootte bakken gelijkmatiger en nemen later ongeveer evenveel siroop op. Druk ieder stuk tegen de grove zijde van een rasp, leg een walnootstuk in het midden en sluit het deeg zonder het patroon glad te wrijven. De buitenkant moet duidelijk geribbeld blijven.
De siroop wordt slechts 7 minuten gekookt met 5 ml citroensap. Hij hoort helder en licht ingedikt te zijn, maar nog vrij te kunnen stromen. Een sterk gereduceerde siroop blijft aan het oppervlak hangen en dringt minder goed in de kruim. In deze volgorde koelen de gebakjes volledig af en rust de hete siroop kort voordat hij erover wordt gegoten.
Na het overgieten volgt 120 minuten koeling bij 4 °C of lager. Een goed doordrenkte urmašica voelt duidelijk zwaarder, behoudt zijn ribbels en heeft bij doorsnijden geen droge kern. De walnoot blijft daarbij als afzonderlijk midden herkenbaar in plaats van op te lossen in de siroop.