Londoneri met abrikozenjam en walnotenmeringue
Londoneri danken hun karakter aan drie duidelijk gescheiden lagen. Onderaan ligt een kort, kruimelig deeg dat voldoende stevig moet zijn om jam en schuim te dragen. Daarboven komt een dunne fruitige laag en tot slot een mengsel van opgeklopt eiwit en walnoten. Het gebak hoort niet sponsachtig of zwaar te worden: de spanning zit juist tussen het breekbare deeg, de zachte jam en de drogere notenlaag.
Voor het deeg wordt koude boter door de bloem gewreven voordat suiker, eidooiers en citroenrasp erbij komen. Daardoor blijft de glutenontwikkeling beperkt en ontstaat een kortere beet. Het deeg krijgt vervolgens 30 minuten koeling. Die rust maakt uitrollen eenvoudiger en voorkomt dat de boter tijdens het vormen over het werkvlak smeert. De eerste bakronde op 175 °C is bewust kort: de bodem moet droog ogen en net licht kleuren, maar nog niet volledig bruin worden.
De abrikozenjam vormt geen dikke vulling. Een dunne, gelijkmatige laag is voldoende om frisheid en vocht tussen bodem en meringue te brengen. Het eiwit wordt eerst tot zachte pieken geklopt, waarna 150 g suiker geleidelijk wordt toegevoegd. Pas wanneer het schuim glanst, gaan de gemalen walnoten erdoor. Zo blijft er genoeg lucht in het mengsel om een lichte bovenlaag te vormen in plaats van een compacte notenpasta.
De tweede bakronde gebeurt op 150 °C. Dit lagere vuur geeft de walnotenmeringue tijd om door en door te garen zonder dat de bodem uitdroogt. De bovenkant hoort droog aan te voelen en aan de rand mag geen los, rauw eiwitschuim zichtbaar zijn. Na het bakken is 30 minuten afkoelen onderdeel van het recept: warme jam verschuift gemakkelijk en een nog zachte meringue scheurt bij het snijden.
Snijd het afgekoelde gebak in 24 smalle repen. Bij die grootte blijft de verhouding tussen deeg, jam en walnoot evenwichtig. De repen kunnen een dag vooraf worden gebakken, maar moeten pas worden afgedekt wanneer ze volledig zijn afgekoeld, zodat de bovenlaag niet door opgesloten stoom zacht wordt.