Homoljski kačamak van witte maïs met heet reuzelvet en witte pekelkaas
Kačamak is verwant aan maïspap en polenta, maar de Homolje-uitvoering in deze vorm draait om wit maïsmeel en een compacte, intensief geroerde structuur. Homolje in Oost-Servië heeft een sterke lokale band met witte maïs en met meel dat historisch ook uit watermolens kwam. Voor dit recept is vooral de techniek bepalend: langzaam garen en blijven werken tot de massa samenhangend wordt.
De eerste minuten bepalen of het eindresultaat glad of klonterig wordt. Het maïsmeel gaat geleidelijk in kokend gezouten water terwijl de lepel voortdurend beweegt. Zodra de pap indikt, verandert roeren in stevig werken: de massa wordt zwaar, kleeft minder aan de panwanden en vraagt brede bewegingen over de bodem om aanzetten te voorkomen.
De klok geeft richting, maar de pan zelf laat zien wanneer het maïsmeel gaar is. De kačamak hoort glad en dik te zijn en als één massa van de zijkanten los te komen. Een korrelige, krijtachtige smaak wijst op onvoldoende garing. Het vuur hoger zetten is dan geen oplossing; de bodem kan verbranden terwijl de kern van de dikke massa nog niet voldoende is gehydrateerd.
Slechts 20 g reuzelvet wordt apart verwarmd en door de warme pap gewerkt. Het vet moet volledig smelten en glanzen zonder te roken. Daarna komt 200 g verkruimelde witte pekelkaas erbij. Door de kaas pas bij het serveren toe te voegen blijft hij herkenbaar als zoute, kruimelige tegenhanger van de zachte maïsmassa.
Dit gerecht moet snel na bereiding worden gegeten, omdat maïszetmeel bij afkoelen verder opstijft. Resten kunnen wel worden gekoeld en later met een scheut water opnieuw zacht worden geroerd. Houd rekening met het hoge natriumgehalte: de 10 g toegevoegd zout en de witte pekelkaas leveren samen ongeveer 1440 mg natrium per kom in deze berekening.