De Oostenrijkse culinaire identiteit draait om gerechten die hun oorsprong vinden in keizerlijke keukens en de noodzaak van het leven in de Alpen, hoewel de vraag naar één "nationaal gerecht" tegenstrijdige aanspraken onthult. Wiener Schnitzel – goudbruin gebakken kalfsvlees – neemt de sterkste positie in als Oostenrijks emblematisch gerecht en is te vinden op menu's van Innsbruckse gasthäuser tot Weense Figlmüller. Maar Tafelspitz, het gekookte rundvlees dat keizer Franz Joseph naar verluidt dagelijks at, geniet een even grote historische betekenis. Het debat zelf weerspiegelt de regionale diversiteit van Oostenrijk: Tiroolse Speckknödel, pompoenpittenolie uit Stiermarken en Nockerl uit Salzburg claimen allemaal lokale voorrang. Wat de Oostenrijkse keuken verenigt, is niet één gerecht, maar gedeelde technieken – langzaam stoven, nauwkeurig paneren, koken met rundervet – geërfd van de Habsburgse hofprotocollen en de vindingrijkheid van de boeren.